WWW.TAALGROEIMETER.NL

 
 

 

Anderstalige thuissituaties

Heb jij en/of je partner een andere moedertaal dan het Nederlands? Dan is het een prima keuze om die taal door te geven aan je kinderen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat een meertalige opvoeding veel voordelen biedt. Meertalige kinderen zijn vaak taalgevoeliger, hebben een groter werkgeheugen en kunnen zich gemakkelijker concentreren. Daarnaast hebben ze op latere leeftijd minder te kampen met dementie. Kijk hier voor meer voordelen van meertaligheid.

Door het aanbod van het Nederlands in de omgeving en op school leren kinderen met een andere thuistaal al gauw Nederlands. Voor de woordenschat-ontwikkeling is het wel belangrijk dat je de thuistaal rijk en breed aanbiedt; praat veel met en tegen je kind, gebruik veel verschillende woorden, lees voor en zing in je eigen taal. Als je kind een woord eenmaal kent in de moedertaal, zal hij/zij het Nederlandse woordje ook snel leren. Meer informatie hierover lees je hier.

 

De eerste woordjes

Zo rond de eerste verjaardag zeggen de meeste kinderen hun eerste woordjes.
Waarschijnlijk zijn dit vooral woordjes uit de thuistaal (of thuistalen). Soms zitten er door invloed van bijvoorbeeld de televisie en de kinderopvang ook Nederlandse woordjes tussen.
Hoe reageer je daar op? Je kunt dit woordje herhalen in je eigen taal. Of nog beter, maak er een hele zin van. 

Een voorbeeld: 

Kind: “Poes”.
Moeder: “Yes, that is a sweet cat”.

 

Het verstaan van het Nederlands

Kinderen met een andere thuistaal kunnen vaak heel snel Nederlands verstaan. Ook als er thuis helemaal geen Nederlands wordt gesproken. Ze krijgen via de omgeving (televisie, kinderopvang) ongemerkt vrij veel van de Nederlandse taal mee. Bovendien zijn jonge kinderen heel taalgevoelig en communiceren ze grotendeels nog non-verbaal. Dit wil zeggen dat ze uit mimiek, toon, context en handelingen de betekenis van een woord of zin opmaken.

Wil je je kind naast de thuistaal en het Nederlands nog een derde taal meegeven? Bijvoorbeeld het Fries of Engels? Ook dat hoeft geen probleem te zijn. Lees meer over: een praktijkvoorbeeld drietalige opvoeding 

 

Het spreken van het Nederlands.

De meeste kinderen met een andere thuistaal beginnen te
oefenen met het Nederlands als ze zo’n 3,5 jaar oud zijn. De eerste fase is dat ze Nederlands spreken bij het spelen, bijvoorbeeld tegen de poppen.

Wanneer er thuis óók Nederlands wordt gesproken, of als het kind veel tijd doorbrengt op de kinderopvang, begint het soms al eerder met het oefenen van Nederlandse woordjes. In dat geval is het belangrijk dat de thuistaal niet wordt ondergesneeuwd. Goed blijven aanbieden dus. 

 

 

Tussentaal

Tweetalige peuters en jonge kleuters gebruiken de verschillende talen vaak nog door elkaar. In één zin. Of in één woord. Het klinkt soms raar maar het is volkomen normaal voor tweetalige kinderen tussen de 3 en 6 jaar.
Hoe ga je hiermee om? Je hoeft een verhaspelde zin van je kind niet nadrukkelijk te corrigeren. Gewoon herhalen in goede taal (jouw eigen taal) is voldoende.

In Friesland hebben veel kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en basisscholen een taalbeleid, gericht op de meertalige ontwikkeling van kinderen. Kijk hieronder voor een overzicht:
tweetalige kinderdagverblijven 
tweetalige peuterspeelzalen

Vanaf groep 3 kunnen de meeste tweetalige kinderen de talen aardig goed uit elkaar houden, soms al eerder.

Soms heeft het wisselen van taal trouwens een sociale reden. Het kind stapt dan over op de andere taal omdat er een andere functie is van het taalgebruik.

Dit gebeurt bijvoorbeeld in een rollenspel of om een relatie aan te geven. Dan heet het codeswitching. Kijk maar eens naar deze Friestalige meisjes.

 

Dominantie van het Nederlands

Er wordt vaak aangenomen dat kinderen hun moedertaal (of vadertaal) als vanzelfsprekend leren. Het komt echter best vaak voor dat deze kinderen een voorkeur ontwikkelen voor het Nederlands. Soms spreken ze hun thuistaal amper nog. Dit kan tijdelijk zijn maar ook blijvend. Hieronder enkele tips:

► Blijf zelf consequent je eigen taal spreken. Lees boekjes voor en praat veel met je kind in je eigen taal. Vraag de familie dit ook te doen.

► Kijk met je kind(eren) naar kinderprogramma’s en zing liedjes in je eigen taal

► Reageer positief op je kind als hij/zij praat in de thuistaal. Corrigeer niet.

 

Volledig tweetalig

In groep 1 en 2 is de (actieve) woordenschat in de moedertaal vaak nog net wat groter dan die in het Nederlands. Dit kan een vertekend beeld geven bij toetsen. Ook lukt het anderstalige kinderen soms nog niet goed om “op commando” Nederlands te spreken en om woordjes uit hun eigen taal te vertalen in het Nederlands (of andersom). Je gebruikt dan twee talen tegelijk en dat is voor kleuters nog moeilijk.  

Vanaf groep 3 zal je kind zich deze vaardigheden snel eigen maken. Vanaf groep 5 of 6 zal de beheersing van het Nederlands meestal net zo goed zijn als de beheersing van de moedertaal. De ontwikkeling van beide talen loopt vaak gelijk op.
Blijf dus zorgen voor veel interactie met je kind in de moedertaal. Daag hem/haar daarbij uit door steeds nieuwe woorden en begrippen te gebruiken
.

 

Soms gaat het anders

Bij de meeste kinderen is sprake van een normale taalontwikkeling. Die is besproken in deze taalgroeimeter. Sommige kinderen hebben om één of andere reden meer problemen met taal. Het consultatiebureau, de huisarts of de logopedist kan in dat geval een goed advies geven. Zijn jullie van plan om een logopedist te bezoeken? Kies er dan één die goed bekend is met meertaligheid.

Hieronder vind je een aantal interessante artikelen over spraak/taalproblematiek en meertaligheid uit de Vraagbaken Meertaligheid van Oudersonline.

Tweetaligheid en dyslexy

Spraak/taalachterstand en meertaligheid

Arabische constructies in Nederlandse zinnen

Stotteren en meertaligheid

Tweetaligheid en down-syndroom